Hoe Christian Van Buggenhout Hotel Memling in Kinshasa van de ondergang redde!
Toen Sabena op 7 november 2001 failliet ging, vreesden de Congolezen dat met de Belgische luchtvaartmaatschappij ook haar uithangbord zou verdwijnen: Hotel Memling in Kinshasa. Maar het hotel hield stand en is intussen flink gerenoveerd. Een complexloze rondleiding door Sabena-curator Christian Van Buggenhout.
‘Voor het eerst in Kinshasa? Dan zal je je ogen nogal opentrekken’, zegt Christian Van Buggenhout als ik hem op de luchthaven van Ndjili tref. Om de twee maanden reist de curator van het failliete Sabena een week naar de Afrikaanse hoofdstad. Om te controleren hoe de zaken lopen in Hotel Memling, het enige Sabena-hotel dat nog niet is verkocht.
Tijdens de hobbelige busrit naar het centrum, zo’n 30 kilometer, krijg ik amper de kans de omgeving in me op te nemen. Hoewel Van Buggenhout verklaart doodmoe te zijn, ontpopt hij zich tot een spraakwaterval. Hij vertelt hoe hij de voorgaande dagen in Brussel heeft staan pleiten om ‘de Zwitsers’ en de voormalige revisoren van Sabena toch voor de correctionele rechtbank te krijgen. ‘Bedriegers zijn het! Vliegtuigen op ruim 20 jaar afschrijven terwijl ze dat op 15 jaar hadden moeten doen...’ De advocaat gaat er helemaal in op. ‘Ik kan het niet helpen. De manier waarop die gasten zich verdedigen, ça me fait vomir!’
De toon is gezet. De volgende dagen zal blijken dat Van Buggenhout één brok gedrevenheid is. Als curator beperkt hij zich niet tot het verkopen van de meubels van de failliete boedel. Integendeel, hij lapt ze op om er een hogere prijs voor te krijgen. Omdat hij dan meer kan terugbetalen aan de schuldeisers, ook al kost hem dat 16 werkuren per dag.
Met het Memling is dat niet anders. Architecturaal gooit het hotel, een van de laatste restanten van de Belgische aanwezigheid in Kinshasa, geen hoge ogen. Maar in een overbevolkte grootstad vol ellende is het een van de weinige hotels die aan de westerse comfortnormen voldoen. Decennialang was het een vaste stek voor het boordpersoneel van Sabena. De Belgische luchtvaartmaatschappij werd geprezen voor haar goed verzorgde vluchten naar Centraal- en West-Afrika. Voor de Belgen was het Memling ook altijd een toevluchtsoord als het er in het politiek grillige Leopoldstad weer eens gewelddadig aan toe ging. En die rol vervult het bij rellen nog steeds.
Zodra je het comfortabele hotel verlaat, slaat de armoede je in het gezicht. In de stoffige straatjes proberen de Kinois toch iets te verdienen door een pakje sigaretten, een paar schoenen of wat schriftjes te verkopen. Afval ligt op straat weg te rotten. Wat rest aan koloniale gebouwen, is aangevreten door het verval. Even verderop liggen zelfs de kantoren van de zwaar bewaakte Belgische ambassade er armzalig bij.
‘Je kan amper geloven hoe ik het hier in 2001 aantrof’, zegt Van Buggenhout. ‘Vlak voor de ingang van het hotel lag een berg naar urine stinkend afval. Ik heb de autoriteiten geld moeten toestoppen om de boel opgeruimd te krijgen.‘
Ook binnen de muren van het hotel greep Van Buggenhout in. Hij wees het voltallige management de deur. ‘Toen ik hier voor het eerst binnenkwam, liep de toenmalige hotelmanager vrolijk door de inkomhall te trippelen, bij de das getrokken door een prostituee. Echt geen gezicht. En ik moet erop blijven hameren (nadrukkelijk): ‘Het Memling is geen hoerenkot!’ Het vergt flink wat inspanningen om onbekende Afrikaanse hoertjes buiten te houden. We laten slechts enkele escortes tot de kamers toe. Die moeten zich wel aanmelden aan de receptie. Want je kan het toch niet tegenhouden. Die mannen en hun testosteron. Geloof me, DSK is er niets tegen.’
De algemene leiding van het hotel is nu in handen van een Fransman die zijn sporen verdiende in het Afrikaanse hotelwezen. Maar Van Buggenhouts grootste toeverlaat is de financieel directeur, een minzame Libanees die zijn hele loopbaan voor de Belgische luchtvaartmaatschappij heeft gewerkt. Nog steeds kan hij geen kwaad woord over Sabena horen.
Wie tien jaar na datum naar sporen van de voormalige Belgische luchtvaartmaatschappij zoekt, is eraan voor de moeite. Nergens in het hotel is een afbeelding van een Sabena-vliegtuig of een ander relikwie te bespeuren. Tot je in de ruime kamers de televisie aanzet. Op kanaal 1 verschijnen documentaires over Sabena uit de oude doos. De zwart-witpareltjes geven schitterend het optimisme van de jaren vijftig weer. Zoals de beelden van de opgetogen Belgen die vol verwachting vanuit een vliegtuigraampje naar ‘Leopoldstad’ kijken, net voor ze er voor het eerst zullen landen.
Onder de hotelgasten vormen de Belgen een minderheid. In de ontbijtzaal voeren andere zakenlui de boventoon. Je pikt er de internationale onderhandelaars en contractanten zo uit: mannen in maatpak die opveren als Congolese hoogwaardigheidsbekleders plechtstatig de zaal betreden. Ook voor de Afrikaanse beau monde is het Memling een begeerde plek, al was het maar om er in discretie te vergaderen. De toeristen, een minderheid, herademen bij de overvloed die ze na een rondreis in het Congolese binnenland aantreffen.
Terwijl ik de bedrijvigheid in de ontbijtzaal gadesla, buigt Van Buggenhout zich over de generatoren. Twee nagelnieuwe stroomgroepen blijken niet bestand tegen de onzuiverheden in de Congolese brandstof. De technici moeten een oude Deutz-generator weer aan de praat krijgen. Want door de vele stroomonderbrekingen kan het hotel niet op het gewone elektriciteitsnet rekenen. En zonder stroom, geen frisse kamers, geen verlichting en geen koeling voor de etenswaren.
Het Memling voert trouwens driekwart van alle voedingsmiddelen in: Congo exploiteert nog geen 10 procent van de beschikbare landbouwgrond, er zijn amper voedselverwerkende bedrijven en efficiënte transportmiddelen. Niet verwonderlijk dus dat de prijzen op de menukaart aardig aantikken.
Een dag na aankomst is Van Buggenhout al genoodzaakt zijn planning bij te sturen. ‘ Ik zit in de dikke shit’, foetert hij, terwijl hij de ontbijtzaal komt binnengestoven. ‘Problemen met de fiscus. De belastingcontroleurs gaan onze boekhouding nog eens doorploegen. En ze grijpen de geringste onduidelijkheid aan om flinke boetes op te leggen. Want de controleurs mogen een kwart van die boetes houden, als incentive. De ambtenaren hier zijn net poppetjes op batterijen. Als hun batterijen plat vallen, beginnen ze de belastingbetalers uit te knijpen.’
En zo hoor ik Van Buggenhout zich later ook opwinden over de Sonas, de Société Nationale d’Assurances. ‘Verzekeringsmaatschappij? Het enige wat ze verzekeren, is het inkomen van hun werknemers. Iedereen betaalt premies maar niemand krijgt ooit een schadegeval uitbetaald. Overal tiert de corruptie! Ook onder advocaten. 19 heb ik er hier al versleten. Het is zo moeilijk om een jonge kracht te vinden die zich niet binnen de kortste keren laat omkopen door de tegenpartij.’
Maar ik weiger toe te geven. Altijd proberen de ambtenaren misbruik te maken van onze schuldgevoelens als voormalige kolonisator. It’s part of the cinema. Ik antwoord dan dat ik geen last heb van een koloniaal complex. Meer nog, dat ik nog veel beter dan hun eigenste overheid zorg draag voor hun mensen.’
En weer gaat zijn stem van pure opwinding in crescendo. ‘De werknemers in het Memling verdienen 250 tot 400 dollar per maand, naar Congolese normen meer dan behoorlijk. Ze krijgen ook twee maaltijden per dag, terwijl de meeste Congolezen zich niet eens één maaltijd kunnen veroorloven. Ik zorg voor hun transport en voor een ziekte- en hospitalisatieverzekering. En ik zorg ervoor dat hun kinderen naar school kunnen. Die ambtenaren moeten bij mij dus niet komen hengelen.’
Soms moet de curator ook tegenover het eigen personeel hard optreden. ‘Op een dag bleek voor 3.200 dollar vleeswaren uit de keuken verdwenen. Toen ik vroeg wie het vlees had gestolen, kreeg ik een Napolitaanse omerta als respons. Ik heb toen een deel van het loon van alle werknemers in de keuken afgehouden, tot het bedrag was terugbetaald.’
Daags nadien vindt Van Buggenhout wel de tijd om me in het hotel rond te leiden. De ‘korte’ rondgang mondt uit in een relaas van welgeteld drie uur. Ik krijg het hele hotel te zien: de kelders, de voorraadruimtes, de wasserij, de keukens, de conferentiezalen, de refters voor het personeel. En overal wijst Van Buggenhout op de verbeteringen die hij heeft aangebracht. ‘Ik heb al 14, 5 miljoen dollar aan renovaties besteed. Alles gefinancierd met de opbrengsten van het hotel, dat sinds 2004 en met een gemiddelde bezettingsgraad van 77 procent weer rendabel is.’
Een van de hotelkamers is volgestouwd met splinternieuwe flatscreens van Philips. Ze moeten de wat oudere modellen vervangen. De Franse hotelmanager zucht diep als hij terugdenkt aan de moeite die het heeft gekost om de tv’s in Kinshasa te krijgen. ‘Niet te geloven welke paperassenwinkel je door moet. En in de haven van Matadi krijgen de schepen uit China tegenwoordig absolute voorrang. Ze worden eerst gelost. De andere schepen kunnen wachten’.
Gaandeweg ontpopt Van Buggenhout zich tot een enthousiaste decorateur. In de foyer hangen werken van veelbelovende Congolese kunstenaars . ‘ Ze mogen hier tentoonstellen. En af en toe koop ik een kunstwerk om hen een duwtje in de rug te geven.’ En ook nu draaft Van Buggenhout maar door. In de bar komen nog nieuwe zitmeubels van Flamant, vertelt hij, een familiebedrijf uit Geraardsbergen. De vloerbekleding werd vervangen door vast tapijt van het West-Vlaamse Lannoo. Maar niet alles komt van Vlaamse bedrijven. ‘Ook ik moet rekening houden met de communautaire gevoeligheden. Sabena was toch een ‘Belgisch’ bedrijf. Ook Waalse kmo’s komen hier dus aan bod. De glazen koepel boven de foyer is vakwerk van een bedrijf uit Herstal.’
Sabena bezit in Kinshasa niet alleen het Memling. maar ook een appartementsgebouw en een tiental villa’s, voor het overgrote deel in de dure Gombéwijk. De ommuurde en streng bewaakte gebouwen waar vroeger Sabéniens hun intrek namen, worden nu bewoond door expats. Ze leveren de failliete boedel maandelijks 125.000 dollar aan huurinkomsten op.
Samen met een Belgische aannemer trekken we van het appartementsgebouw naar de villa’s. Van Buggenhout wil de renovatiewerken inspecteren en oplijsten welke herstellingen zich nog opdringen. Opnieuw spaart de curator zijn kritiek niet. Hij begint te balen als hij vaststelt dat de betegeling te wensen overlaat. ‘Enfin, zelfs ik kan beter tegelen!’ Maar hij briest pas echt als hij merkt dat een toilet - die hij speciaal liet installeren voor de bewakers en de tuinmannen - er smerig bijligt. De verbouwereerde werkmannen krijgen te horen dat hij ze ‘een borstel en wat VIM’ zal geven en dat ze mogen schrobben tot het sanitair terug blinkt.
Maar Van Buggenhout zegt het ook als het goed is. Congolese werknemers die hun beste beentje voor zetten, krijgen schouderklopjes en uitzicht op promotie. En na een uitbrander maakt Van Buggenhout het graag goed met humor. Veiligheidsagenten die op de hotelparking sloom in hun wachthokjes zitten, houdt hij een spiegel voor door zelf als een slapjanus op de motorkap van zijn taxi te gaan hangen. De bewakers stikken van het lachen. Maar als de curator even later de parking afrijdt, veren de bewakers recht. Om met een grijns breder dan hun gelaat een eresaluut te brengen dat normaal alleen buitenlandse staatshoofden te beurt valt.
Volgend jaar wil Van Buggenhout Hotel Memling verkopen. Voor 25 miljoen euro. Hij maakt zich weinig zorgen over het onzekere politieke klimaat in Congo. Na elke periode van strubbelingen en geweld stromen de buitenlandse zakenlui toch weer toe, belust om een graantje mee te pikken van de grondstoffenrijkdom. Wat hem wel zorgen baart, is de vraag wie straks als kandidaat-koper opdaagt. ‘Als het maar geen witwasorganisatie is. Ik kreeg al een aanbod van een casinogroep uit Tanzania. Dan weet je wel hoe laat het is.’
Ik vraag me af of de curator het Memling niet zal missen. Hier kan hij zijn gang gaan, zijn managementcapaciteiten botvieren. En hoezeer hij soms ook foetert, hij bewondert tegelijk de goedlachse spirit van de Congolezen die vooruit willen. ‘Neen, ik zal het niet missen’, zegt hij. Maar hij wordt verraden door de minieme aarzeling in zijn stem.